Home
 
 

 

18de eeuws beiaardmanuscript
Het Leuvense De Prins-handschrift


Gilbert Huybens en Luc Rombouts

 

Inleiding

Een van de glorieuze bladzijden uit de Vlaamse cultuurgeschiedenis is zonder twijfel de beiaardcultuur van de 17de eeuw 18de eeuw. In die tijd was de atmosfeer in onze steden en abdijen doordrenkt van klokkenmuziek. Sommige steden hadden vijf of meer beiaarden en gezien het grote aantal feestdagen werden veel van die instrumenten haast dagelijks bespeeld. En als de beiaardiers niet in actie kwamen, kleurden de automatische speelwerken de tijd in op een muzikale manier, dag en nacht.

Van die gouden tijd zijn niet veel materiële restanten bewaard gebleven. Vlaanderen telt vandaag nog slechts vijftien beiaarden die ouder zijn dan de twintigste eeuw. En beiaardmuziek uit die tijd is een hoogst zeldzaam goed. Dat is ook niet verwonderlijk, want beiaardmuziek werd vroeger nooit gepubliceerd. Beiaardiers improviseerden op bestaande melodieën of schreven hun arrangementen neer voor eigen gebruik. Enkele beiaardiers deponeerden hun versteekmuziek plichtsbewust in het stadsarchief. Zo zijn de versteekboeken van Theodoor de Sany en Philippus Wyckaert bewaard gebleven.

Tot vijftien jaar geleden was het Antwerps beiaardboek Van Joannes de Gruytters uit 1746 de enige omvangrijke bron voor onze kennis van de 18de-eeuwse handgespeelde beiaardmuziek in onze streek. Daarnaast was er nog de omvangrijke, maar helaas weinig gebruikte bundel van André Dupont uit Saint-Omer (1780-1785). En in 1985 herontdekten Margo Halsted en Gilbert Huybens in het Antwerps stadsarchief het boekje Beijaert 1728, een bundel met eenvoudige beiaardarrangementen van Vlaamse kerstliederen.

De beiaardhandschriften van de K.U. Leuven

De meeste gespeelde 18de-eeuwse beiaardmuziek waren de elf preludia van Matthias Vanden Gheyn, die helaas overgeleverd waren in een slordige 19de-eeuwse kopie, waarover straks meer. Speurtochten naar de authentieke Vanden Gheyn-partituur liepen steevast op niets uit.

In 1988 werd alles anders. In dat jaar werd het sterfhuis van de Gentenaar Léon Van Elewyck verkocht en de inboedel ervan kwam op de markt. Via verschillende wegen kwamen delen ervan in het bezit van het Leuvens universiteitsarchief. Hieronder bevonden zich de cursusnota's van Arnold Van Elewyck (1741-1822), professor aan de Leuvense universiteit, en een omvangrijke verzameling muzikale documenten van zijn kleinzoon Xavier Van Elewyck (1825-1888; Huybens-Rombouts 1990, p. 76-78). Deze Van Elewyck was doctor in de politieke en administratieve wetenschappen, maar was vooral bekend als muziekhistoricus en componist. Hij was onder meer kapelmeester van de Leuvense Sint-Pieterskerk. Rond 1862 ontdekte hij een aantal 18de-eeuwse muziekhandschriften, waaronder het beiaardwerk van Matthias Vanden Gheyn. Zijn publicatie in datzelfde jaar over Vanden Gheyn haalde de Leuvense organist en beiaardier definitief uit de vergetelheid.

De muziekverzameling werd grotendeels aangekocht in november 1999 in Ninove na een tip van Georges Baggerman. In deze verzameling bevonden zich twee beiaardhandschriften.

Leuvens Beiaardhandschrift I

Het Leuvens Beiaardhandschift I (Universiteitsarchief P 195-30) dateert van 1755-1756 en werd deels samengesteld door J.F. le Tiege, vermoedelijk in opdracht of onder supervisie van Matthias Vanden Gheyn. Het telt 100 pagina's met 151 nummers. Het handschrift bevat menuetten, marsen, kerstliederen, bewerkingen van viool- en klavecimbelmuziek (o.m. van François Couperin) en Leuvense gelegenheidsmuziek, onder meer naar aanleiding van de jaarlijkse primusvieringen, de aanleg van de Leuvense Vaart en de benoeming van een nieuwe abt in de abdij van 't Park (Heverlee). Globaal genomen zijn de harmonisaties van dansen en liedjes in het Leuvense Beiaardhandschrift I van betere kwaliteit dan die van Joannes De Gruytters.

Het Leuvens Beiaardhandschrift I is uitgegeven in facsimile door Universitaire Pers Leuven. Speeledities werden verzorgd door de beiaardiers Georg Köppl (München, 1993) en Adolf Rots (Groningen, 1993). Sommige werken uit het handschrift verschenen intussen op CD.

Leuvens Beiaardhandschrift II

Het Leuvens Beiaardhandschrift II (Universiteitsarchief P 195-31) werd vermoedelijk eveneens geschreven rond 1755 en bevat 60 pagina's, waarvan 32 pagina's beiaardmuziek en 28 pagina's klavecimbelmuziek. De 32 pagina's beiaardmuziek bevatten 41 nummers, waarvan er 36 ook voorkomen in het Leuvens Beiaardhandschrift I. De 5 nummers die niet in het Leuvense Beiaardhandschrift I voorkomen werden ook opgenomen in de uitgave van de Universitaire Pers Leuven.

Ondanks de verschillende uitgaven vinden we de muziek uit de Leuvense Beiaardhandschriften nog niet vaak terug op concertprogramma's. Een uitzondering wordt gevormd door 7 variaties op Cecilia en de 12 variaties op Les folies d'Espagne. Deze elegante en virtuoze werken zijn zonder twijfel het beste dat wij vandaag kennen uit de 18de-eeuwse beiaardcultuur.

Beiaardpreludia Vanden Gheyn

Eigenaardig genoeg bleven de jaren nadien af en toe delen uit de nalatenschap van de familie Van Elewyck op de K.U. Leuven toekomen. In april 1995 kreeg professor Jan Roegiers, hoofdarchivaris van de K.U. Leuven, een telefoontje van de heer Adams uit Berlare met de mededeling dat hij een aantal manuscripten die hij enige jaren voordien had gekocht, aanbood aan de universiteit. Op 19 april werden de collectie aangekocht. Hiertussen bevond zich ook het auteursexemplaar van de beiaardmuziek van Matthias Vanden Gheyn. Tot dan toe maakten de beiaardiers gebruik van de enige bron, een kopie die in 1862 werd vervaardigd in opdracht van Xavier Van Elewyck en die wordt bewaard in de bibliotheek van het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel. Die kopie gaat echter niet rechtstreeks terug op het oorspronkelijk handschrift van Vanden Gheyn, maar op een laat-18de-eeuwse kopie die vermoedelijk veel onnauwkeurigheden bevatte. De kopie van 1862 was dus duidelijk corrupt en in de speeluitgaven van Staf Nees (Mechelen), Leen 't Hart (Delft), Ronald Barnes (Lawrence, Kansas, 1962 ; uitgave GCNA) en Albert Gerken (Lawrence, Kansas, 1987; uitgave ACME), werden dan ook pogingen gedaan om de tekst te "verbeteren".

Maar sinds 19 april 1995 schijnt eindelijk het volle licht op deze virtuoze beiaardmuziek. Vergelijkend handschriftonderzoek wees op overtuigende wijze uit dat de schrijver van deze werken wel degelijk de Leuvense organist-beiaardier was. Het manuscript toont ons Vanden Gheyn als het ware in het midden van het compositieproces, getuige de talrijke doorhalingen en correcties. Nochtans bleek het vrij goed mogelijk om de uiteindelijke bedoeling van de componist te achterhalen en al snel bleek dat de beiaardiers hun visie op 8 van de 11 preludia grondig moesten herzien.

De beiaardpreludia van Matthias Vanden Gheyn werden uitgegeven in facsimile en speeleditie door Gilbert Huybens en Luc Rombouts (Peer, Alamire muziekuitgeverij, 1997, Monumenta Flandriae Musica, 2). Gelukkig zijn steeds meer beiaardiers ervan overtuigd dat ze best naar de oorspronkelijke Vanden Gheyn teruggrijpen en verdringt deze standaardeditie stilaan de oudere uitgaven.

Beiaardhandschrift De Prins

Maar nog is het verhaal van de Leuvense beiaardmuziek niet afgelopen. Want vorige jaar verwierf het Leuvense universiteitsarchief een mooi nakomertje uit de Van Elewyck-erfenis: het beiaardhandschrift van Frans De Prins (noot 1).

In juni 2003 kreeg Leuvens universiteitsbeiaardier Luc Rombouts een telefoontje van Carl Van Eyndhoven. Die was aangesproken door Hugo Draulans, een boekenliefhebber uit Tongerlo. Hugo Draulans had op een boekenmarkt in Diest een 18de-eeuws muziekhandschrift gekocht. Snel werd een contact gelegd tussen Hugo Draulans en Jan Roegiers, de hoofdarchivaris van de K.U. Leuven en op 26 juni 2003 verwierf het archief zijn vierde kostbaar beiaardhandschrift.

Momenteel bevindt zich binnen de muren van de Leuvense universiteitsbibliotheek dus niet enkel een van de belangrijkste beiaarden van ons land, maar ook de belangrijkste verzameling 18de-eeuwse beiaardmuziek ter wereld. Dit artikel geeft ons de kans om hulde te brengen aan de drie opeenvolgende "ontdekkers": wijlen heer Baggerman en de heren Adams en Draulans. En VBV-voorzitter Carl Van Eyndhoven verdient tenslotte een pluim voor zijn alertheid om het De Prins-handschrift in verband te brengen met de andere Leuvense beiaardhandschriften. Dankzij Carl bevindt het handschrift zich nu waar het thuishoort: het Van Elewyckfonds.

Wie was Frans De Prins?

Op het schutblad vooraan staat, verschillende keren zelfs, de naam De Prins en het jaartal 1780. Achteraan: 'Ex libris D.D. De Prins 1781 Lovaniensis - Frans De Prins 1781'. Deze Frans mag vereenzelvigd worden met Franciscus - voluit Franciscus Martinus Josephus - De Prins of Deprins (1746-1815), oudste kind van Petrus De Prins († 1790), die in 1743 huwde met Joanna Catharina Len[t]s/Lins († 1788). Na hem kwamen in dit gezin nog Joannes Baptista (° 1748), Maria (°1750), Maria Catharina (° 1753) en Petrus (° 1758) ter wereld.

Franciscus De Prins

Franciscus' naam blijft verbonden met de beiaard van de Leuvense Sint-Geertruikerk. Het instrument, opus 21 van de Leuvense klokkengieter Andreas Jozef Vanden Gheyn, telde 37 klokken (34 klokken werden gegoten tussen 1776-1778; de drie basklokken dateren van 1779). In oktober 1778 werd het instrument tijdelijk tussen twee kastanjebomen in de binnenplaats van de abdij opgesteld in het zicht van de kamer van prelaat de Renesse, die aan een slepende ziekte leed. De Prins speelde toen op het instrument. Hij werd op 31 oktober aangesteld tot titularis van het instrument en speelde de beiaard de dag nadien voor het eerst in de toren.

De Prins moest talrijke bespelingen per jaar verzorgen en de trommel tweemaal per jaar versteken. Hij moest per bespeling drie aria's spelen en had een jaarloon van 100 gulden (Rombouts 1990, p. 32-33). Een persbericht uit die tijd meldt dat hij benevens organist van de Sint-Kwintenskerk, de Sint-Jan-de-Doperkerk in het Groot Begijnhof en de kapellen van de Ierse Predikheren en de Heilige Barbara ook 'befaemt [was] door verscheyde in 't ligt gegeven musicale werken' (Huybens 1980, p. 167).

Een familie van musici

Een jongere broer van Franciscus, Joannes-Baptista (1758-1847), en diens zoon Pierre waren als organist verbonden aan de Sint-Michielskerk en de Sint-Pieterskerk. De zoon en kleinzoon van voornoemde Pierre, Gerard en Désiré, waren stadsbeiaardier van Leuven (Huybens 1990, p. 27). Gerard was tevens organist van de Sint-Geertruikerk (van 1823 tot 1856) en de Sint-Pieterskerk (tot 1886). Prosper De Prins, een andere zoon van Gerard, was organist van de O.-L.-Vrouw-ter-Predikherenkerk (Van Elewyck 1862, p. 50). De Leuvense familie De Prins vormde dus een stevige dynastie van organisten en beiaardiers. Voegen we er nog aan toe dat al in 1729 ene Petrus De Prins optrad als peter van een lid van de Leuvense muzikantenfamilie Di Martinelli (Huybens 2000, p. 104). Een reconstructie van de De Prins-dynastie is in voorbereiding.

Opvolgers van Franciscus de Prins

De opvolgers van Franciscus als beiaardier van de Sint-Geertruikerk waren achtereenvolgens: Maurits Vranckx, Gerard en Désiré De Prins, Edmond Hendrickx (van 1870 tot 1893), Jules Vandeplas (vanaf 1893), die van 1887 tot 1914 ook stadsbeiaardier van Leuven was (Huybens 1990, 27) en Renaat Vansteenwegen. De huidige titularis is Marc Van Eyck.

Een eerste blik op het handschrift

Het handschrift is een oblong (29 x 22,6 cm) en bevat 102 pagina's. Dat het uit de nalatenschap van Xavier Van Elewyck komt, blijkt onder meer uit een notitie van zijn hand op de achterkant van de kaft: 'Airs populaires pour carillon rassemblés pour le comte de Flandre par le chevalier Xavier Van Elewyck.' Een haast identieke vermelding staat op het voorkaft van het eerste Leuvens beiaardhandschrift. De toenmalige graaf van Vlaanderen was Filips Eugenius (1837-1905), de jongere broer van Leopold II.

Beiaardarrangementen

Van de 221 stukken in het handschrift zijn er 55 klaarblijkelijk bewerkt voor beiaard. Dat kan onder meer worden afgeleid uit de toonomvang van de begeleiding, die overeenkomt met de courante dispositie van het 18de-eeuwse beiaardpedaal (c - d1) (noot 2). In principe is een pedaalpartij die speelbaar is op beiaard nog geen bewijs dat de stukken in kwestie inderdaad voor beiaard bedoeld zijn. Maar de waarschijnlijkheid wordt zekerheid indien we zien dat in een 25-tal stukken de pedaalpartij opwaartse sprongen of ongewone cadensen vertoont om de lage b of a te vermijden. Ook zien we in enkele stukken het omgekeerde, namelijk een sprong naar omlaag om e1 te vermijden (bv. in de giga nr. 212).

Aangezien Franciscus De Prins twee jaar voor hij het handschrift signeerde, beiaardier werd van de Sint-Geertruiabdij, lijkt de kans reëel dat de beiaardarrangementen voor deze beiaard zijn geschreven. We kennen niet de pedaalomvang van zijn beiaard, maar wel de totale ambitus van de beiaard, die volledig chromatisch doorliep van c tot c³ (de stadsbeiaard liep daarentegen door tot a3). De melodielijn van alle beiaardstukken komt in de hoogte nooit boven c³, behalve in de nummers 180 en 181, waar e³ wordt voorgeschreven, en een voorslagnootje d³ in het menuet nr. 185. De kans is dus groot dat we hier te doen hebben met het "beiaardboek van Sint-Geertrui". Te vermelden is ook dat in de giga nr. 155 de lage cis, die aanwezig was op de Sint-Geertruibeiaard, ook effectief wordt voorgeschreven. De waarschijnlijke toeschrijving aan de Sint-Geertruibeiaard maakt het De Prins-manuscript des te waardevoller als aanvulling op de Leuvense beiaardhandschriften, die voor de stadsbeiaard op Sint-Pieter geschreven zijn.

Klavierstukken

Naast de 55 beiaardnummers bevat het boek 94 stukken met een begeleiding die de omvang van het beiaardpedaal overstijgen en die daarom best worden getypeerd als muziek voor klavier (klavecimbel, pianoforte …). Net zoals in de beiaardarrangementen is in de klavierstukken tweestemmigheid de regel. Akkoorden of tweeklanken zijn zeldzaam. De rechterhand van de klavierstukken is nauwelijks complexer dan de manuaalpartij van de beiaardarrangementen. De linkerhand van de klavierstukken is meestal ook eenvoudig, maar soms wat gevulder dan de pedaalpartijen van de beiaardarrangementen. De ambitus van de klavierstukken blijft ook haast altijd binnen de toonomvang van de Sint-Geertruibeiaard. De meeste van deze werkjes kunnen zonder veel aanpassingen worden gespeeld op beiaard en wellicht heeft De Prins dat ook gedaan. Het gebeurde wel vaker dat eenzelfde handschrift muziek bevatte voor verschillende instrumenten (bv. Leuvens Beiaardhandschrift 2). Veel van de 18de-eeuwse muziek was als het ware passe-partoutmuziek die op verschillende muzikale media kon gespeeld worden.

Melodieën zonder bas

Tenslotte bevat het handschrift 72 melodieën zonder begeleiding. Dat kwam blijkbaar vaker voor in laat-18de-eeuwse beiaardhandschriften. Ook in het beiaardboek van Saint-Omer (1780-1785) ontbreekt vaak de baslijn. Een ietwat afwijkend procédé vinden we in de Delftse beiaardboekjes van Berghuys, waarin de bas enkel is aangegeven door notenbenamingen. Wellicht gebruikte De Prins deze melodieën als basis voor vrije improvisaties en voegde hij er de baslijn tijdens het spelen aan toe.

Aard van het repertoire

De stukken in het De Prins-handschrift zijn ontleend aan het klavecimbel-, dans- en volksmuziekrepertoire uit de 18de eeuw. Ongeveer de helft van de 221 stukken draagt een titel. Andere stukken zijn dansen: contradans, menuet, allemande, gigue, quadrille, rondeau, paspied, rigaudon, redoute, cotillon. Daarnaast zijn er ook nog marchen, airs en romances.

In tegenstelling tot het Leuvens Beiaardhandschrift 1 uit 1756 (Rombouts-Huybens 1990) met composities speciaal geschreven voor officiële stedelijke plechtigheden, processies, primusvieringen enz. biedt het De Prins-handschrift overwegend melodieën met een 'volks' karakter. Hiervan getuigen titeltjes als Kult den boer (nr. 40), Het schoenlapperken (nr. 80), Kobe den bult (nr. 88), Van 't maromotjen (nr. 173); liederen die verwijzen naar historische gebeurtenissen en plaatselijke folklore als Den brandt van Mechelen (nr. 49), De Mechelse leuts (nr. 106), Medekensdans van den meyboom van Brussel (nr. 121), De Ostendische vaert (nr. 194).

De meeste titels zijn echter Frans. We vinden onder meer Franse operadeuntjes als Ariette du bucheron (nr. 107) en Romance du maréchal ferrant (nr. 108; vermoedelijk uit de gelijknamige opera van François Philidor). Franse titels komen niet voor in het Leuvens Beiaardhandschrift of in het De Gruytters beiaardboek. De invloed van het Frans is blijkbaar veel groter naar het einde van de 18de eeuw toe. Dat is ook merkbaar in het versteekboek van de Diestse beiaardier Jan Jozef De Decker, waarvan de titels bewaard zijn gebleven.

Het zuiver profaan karakter van de inhoud lijkt te conflicteren met de hypothese dat het boek is geschreven voor de abdijbeiaard van Sint-Geertrui. Vergelijking met het beiaardboek uit 1785 van André Dupont, beiaardier van de abdij van Sint-Omaars, wijst echter uit dat de religieuzen van die tijd wel degelijk wereldlijke muziek binnen hun claustrum tolereerden. Van de 381 stukken in het boek van Dupont is er slechts één religieus bij, en een aantal zijn op zijn minst frivool te noemen, zoals Le plaisir des bains.

Franse melodieën

Teruggevonden 'Franse' melodieën zijn onder meer: Du haut en bas (nr. 85 = Capelle 1816, nr. 155); Jupiter un jour en fureur (nr. 140 = Capelle 1816, nr. 297); Menuet d'Exaudet (nr. 141 = Capelle 1816, nr. 752); Sentir avec ardeur (nr. 142 = Capelle 1816, nr. 529); Un soldat sous un coup funeste (nr. 178 = Capelle 1816, nr. 604).

Gebrekkige spelling

Sommige titeltjes in het handschrift zijn gebrekkig gespeld: Madelod angloise (nr. 170) = 'Le matelot anglais' (bij Aubat nr. 1 een andere melodie); Malesincken (nr. 186) = 'Malle Symen' (Lat. simia) of 'dwaze aap' (variante bij Veldhuyzen 1972, nr. 156); coteljon = cotillon, een Franse gezelschapsdans, komt tweemaal voor: Coteljon de Paris (nr. 160) en Ma commère quand je danse (nr. 84 = Capelle 1816, nr. 381) dat vervolgt met de woorden 'mon cotillon va-t-il bien?'

Dansvormen

Wat de dansvormen betreft, inzonderheid de contradans (noot 4) die vanuit Frankrijk werd geïmporteerd, bieden bronnen als Aubat, Trappeniers en Echo naast de melodieën eveneens een beschrijving van de dansfiguren. Maar ook hier duiken melodieën op die onderling sterk van elkaar verschillen. Gaven de samenstellers van die dansboekjes de in omloop gebrachte dansmelodieën wel getrouw weer, of voorzagen ze de bestaande dansschema's van nieuwe melodieën 'à la manière de'? Opvallend in die zin zijn bv. de contradansen La Christine (nr. 45; muziekvoorbeeld 4) en Le Rossignol (nr. 74) die we ook bij Aubat (resp. de nrs. 9 en 20) en in 'L'Echo' (Van Aelbrouck 1986, 60 = Le Rossignol) aantreffen, weliswaar met dezelfde titel, maar telkens met een andere melodie (noot 5). La Bibi (nr. 35) daarentegen volgt de versie van Aubat (nr. 5). Ook de melodie van het Vlaamse liedje Spaensche zeep (nr. 183) wijkt af met die van de 'Oude en nieuwe Hollantse boerenlieties' (Veldhuyzen 1972, nr. 889). Die van het Cruys kapelleken (nr. 217) loopt dan grotendeels gelijk met die uit het beiaardboek van Joannes de Gruytters van 1746 (De Gruytters 1971, p. 12; Haegelant 1995, nr. D14).

Specifieke beiaardmuziek

Tussendoor staat er een specifiek voor de beiaard gecomponeerd Allegro in G (nr. 181) van Matthias Vanden Gheyn. Ridder Van Elewyck signaleerde het in zijn biografie over de Leuvense beiaardier en nam het op in zijn (eerste) grote Vanden Gheyn-anthologie die hij in 1862 in de bibliotheek van het Muziekconservatorium van Brussel deponeerde (Fugues 1862, p. 48-49). In dat handschrift staat bij het stuk (3/4 i.p.v. 3/8 maat) de verwijzing n° 25 du cat. (Van Elewyck 1862, p. 50) en de aantekening: 'Le morceau suivant remplace la 5me sonate qui manque dans le cahier de M. Deprins. Je l'ai extrait d'un deuxième cahier appartenant au même organiste [= Pierre De Prins]. - Il est cité sous le nom de Mathias Vanden Gheyn. - (Pour carillon).' Het 'deuxième cahier' is dus het De Prins-handschrift dat Van Elewyck vòòr 1862 consulteerde.

Kunstmuziek

De kunstmuziek is vrij zeldzaam vertegenwoordigd in het De Prins-handschrift. Een notoire uitzondering is Le Van den Geule (nr. 127), dat Couperins rondo voor klavecimbel Les Vendangeuses is. Dit stuk moet bijzonder populair geweest zijn: het komt onder meer voor in het beiaardboek van Joannes De Gruytters (nr. 188), het beiaardboek van André Dupont (nr. 288) en het momenteel onvindbare versteekboek van Jan Jozef De Decker uit Diest.

Muzikale vrijheden van de volksmuziek

Al die verschillen zijn inherent aan volkse vocale en instrumentale muziek die overwegend in een orale traditie voortleeft. Naargelang van de muzikale geest van de tijd, de smaak van het publiek en de kennis van de vertolker werden melodieën ingekort of uitgebreid (noot 6) en aan de speltechnische mogelijkheden van een instrument - in dit geval de beiaard - aangepast. De muziekvoorbeelden tonen aan dat de basisstructuur van de melodie spectaculaire veranderingen kan ondergaan. Ook de toonaarden verschillen vaak. Eerder zelden zien we variaties in de maatsoort of het ritme, zoals in Coucou (muziekvoorbeeld 5). Dat staat in schril contrast met de klassieke muziek waarin de veelal met naam genoemde componist zijn muzikale ideeën nauwgezet op papier vastlegt. Zijn notenbeeld blijft dus onveranderd, ongeacht de interpretatie van de vertolker.

Besluit

Het De Prins-handschrift betekent een gevoelige verrijking van het beperkte repertoire van 18de-eeuwse beiaardmuziek. Vanuit zuiver muzikaal standpunt staat het boek van De Prins niet op dezelfde hoogte als de beiaardmuziek pur sang van Matthias Vanden Gheyn en de Leuvense beiaardhandschriften van Sint-Pieter. De meeste stukken zijn eenvoudig en wortelen veeleer in de volkscultuur dan in de kunstmuziek. Toch zullen beiaardiers het boek verwelkomen als een interessante aanvulling in hun repertoire. Haast alle nummers in het handschrift zijn, soms met lichte aanpassingen, speelbaar op beiaard. Bovendien zal iedereen die met volksmuziek bezig is, in dit document een schat van nieuwe gegevens vinden ten behoeve van de wetenschap én de muzikale praktijk. Ondertussen loopt het concordantieonderzoek verder. Een aantal muzikale vragen blijft voorlopig immers nog onbeantwoord. Naarmate het onderzoek vordert, zullen nieuwe vondsten worden gerapporteerd.

 




 

 

organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home