![]() |
|
||||||
|
|
|
|
|
|||||||
De klok (Geschiedkundige achtergrond &
gietproces)
Geschiedkundige achtergrond De eerste klokken vinden we terug in China rond 2000 v. Chr. Daarna verschijnen ze achtereenvolgens in Egypte, Griekenland en het Romeinse Rijk. In onze streken worden ze bekend vanaf de 4de eeuw na Chr. Na de erkenning van het Christendom (Edict van Milaan, 313) komt de verspreiding van het gebruik van klokken in kerkelijk verband langzaam op gang. De klokjes evolueren tot grotere en verder dragende signaalgevers en vormen een ideaal middel om de geloofsgemeenschap op te roepen tot de eredienst. Onder het bestuur van Karel de Grote (einde 8ste - begin 9de eeuw) wordt het gebruik van de klokken (in een klokkentoren) zelfs officieel verplicht. Later worden de klokken ingezet bij de tijdsaanduiding door ze te koppelen aan de mechanische uurwerken (einde 13de eeuw). In korte tijd groeide de vraag naar klokken aanzienlijk. Met de opkomst van de gemeenten werd de louter religieuze functie langzamerhand uitgebreid met een aantal maatschappelijke taken, terwijl ook het aantal klokken in één toren toenam. In wezen werd de klok een belangrijk communicatiemiddel dat het ritme van de middeleeuwse stedeling bepaalde, en evolueerde tot het klinkend hart van onze West-Europese maatschappij: de stadsklok geeft de tijd aan, de brandklok waarschuwt de bevolking voor brand en andere gevaren, een andere klok kondigt het openen en sluiten van de stadspoorten, de "werckclocke" roept de actieve bevolking op om aan het werk te gaan, de "banclocke" bekrachtigt zelfs de verordeningen van de stedelijke overheid.
Giet- en stemproces Aanvankelijk werden klokken in West-Europa vervaardigd door monniken, later door rondreizende klokkengieters. Tegenwoordig verloopt het fabricageproces van klokken op semi-industriële wijze. Toch blijft de geboorte van een klok telkens weer een unieke gebeurtenis. Om een klok te gieten worden drie stadia doorlopen: de kern, de "valse klok" en de mantel. De kern is gemaakt van gemetselde poreuze steen, waarbij via een sjabloon en met neutraal zand de kern wordt voltooid. De sjabloon (of mal) is een plank of ijzeren plaat die op een as wordt geplaatst. Daarmee wordt aan de vorm het profiel gegeven van de binnenzijde van de latere klok.
Nadat de kern afgewerkt is (gedroogd of gebakken) wordt hierop de "valse klok" vervaardigd. Ze wordt zo genoemd omdat ze een exacte kopie vormt van de te gieten klok, die het tijdelijk de plaats inneemt van de toekomstige klok. De vorm van deze klok, vervaardigd uit zand, wordt eveneens met behulp van een mal verkregen. Over het oppervlak van de valse klok wordt een laag gesmolten was gestreken, waarop in reliëf de versieringen en opschriften worden aangebracht. ![]() De valse klok (reeds bestreken met was), waarop de versieringen worden aangebracht Eenmaal de valse klok afgewerkt, wordt tenslotte de mantel aangebracht: over het resultaat van de valse klok wordt een dunne laag vochtige, vuurvaste leem gestreken. Na volledige droging herhaalt men dezelfde behandeling nog enkele malen, tot de leemlaag ca 10cm dik is. De mantel wordt verstevigd door enkele metalen ringen.
Het geheel wordt opgewarmd zodat de waslaag van de valse klok wegsmelt. Eens het geheel opnieuw afgekoeld is, tilt men de mantel op. Het restant van de valse klok, die eerst uit zand werd gemaakt, komt te voorschijn, maar ondertussen zijn de versieringen en opschriften afgedrukt op de binnenkant van de mantel. Ze vormen als het ware het negatief van een foto.
De valse klok heeft haar taak voltooid en wordt verwijderd. De mantel wordt
weer op de kern geplaatst en in de plaats van de valse klok is er nu een
lege ruimte ontstaan tussen de kern en de mantel die straks met brons zal
worden gevuld. Samen met andere klokvormen wordt het geheel in de gietput
geplaatst. Deze put vult men volledig en stevig op met zand. Intussen wordt
het brons, een legering van 80% koper en 20% tin, geleidelijk aan gesmolten
in een vlamoven en verhit tot een temperatuur van ca 1100 °C. Eenmaal
de juiste temperatuur bereikt, wordt het vloeibare brons via gemetselde
kanalen in de ruimte tussen de kern en de mantel gegoten (of men giet deze
manueel met een gietpot in de vorm). Na geleidelijke afkoeling (soms duurt
dit ruim een week) worden de verbrande vormen verwijderd en komt de bronzen
klok te voorschijn.
Nadat de gietfouten zijn weggeslepen en de klok is opgeschuurd begint het
stemproces. Al bij de aanvang heeft de klok een toon die bepaald is door
haar grootte en haar profiel. Hoe zwaarder de klok, hoe lager de toon; hoe
kleiner de klok, hoe hoger de toon. Na het gieten is deze toonhoogte echter
nog lang niet correct, de klok moet immers nog bijgestemd worden.
De belangrijkste klokkengieters in Vlaanderen waren: het geslacht De Leenknecht Van Harelbeke (14de eeuw), de Mechelse Waghevens en de vanden Gheins (16de en 17de eeuw), Melchior De Haze (17de eeuw), Willem Witlockx, Alexius Jullien, Joris du Mery en de Leuvense familie vanden Gheyn (18de eeuw), de familie Van Aerschodt (19de en 20ste eeuw), de familie Michiels in Doornik (einde 19de eeuw, 20ste eeuw) en tot slot de familie Sergeys (20ste eeuw). Momenteel worden er in België geen klokken meer gegoten. © Foto's: Klokkengieterij Eijsbouts, Nederland
|
|||||||
| organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home |