Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk

Geschiedenis van de kerk

De oudste vermelding Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle dateert uit 1236, toen de parochie onafhankelijk werd van het kapittel van Sint-Rombouts. Voordien was het steeds een priester van het kapittel die er dienst deed als pastoor. In de 14e eeuw won de kerk aan belang door het ontstaan van een Mariaverering. Een getuige hiervan is het nog bewaarde beeld van Onze-Lieve-Vrouw-van-Scheve-Lee. Van het toenmalige gebouw is er niets terug te vinden. Mogelijk werd die door de grote brand van 1342 vernield. Rond 1400 startte een nieuwe bouwcampagne met de constructie van het onderste deel van de toren, de flankerende zijbeukgevels en de ingebouwde westelijke middenbeukzuilen. Nadien volgden de tweede en derde torengeleding.

Tussen 1451 en 1457 ontstonden het schip en de zijbeuken, die van noord naar zuid gebouwd werden, samen met de aanzet van de transeptarmen. Pas in 1500 begon men aan het koor. De voltooiing ervan gebeurde pas in 1566. Ondertussen had men in 1548 het noordelijke transept voltooid met een schitterende gevel, die toegeschreven wordt aan Rombout Keldermans. De afwerking van het zuidelijk transept sleepte aan tot in 1572. Pas voltooid werd de kerk al geplunderd door de troepen van de hertog van Alva. Het gebouw onderging hetzelfde lot wanneer de geuzen, geholpen door Engelse soldaten in 1580 de stad innamen. De altaren werden vernield en de kerk werd buiten gebruik gesteld tot in 1585. Nadien ging alle aandacht naar de herstelling van de opgelopen schade. In 1599 werd de spits van de toren vervangen door een lantaren, om er een nieuw klokkenspel te kunnen plaatsen. Ook in de 17e eeuw werd de kerk nog verder afgewerkt. Tussen 1636 en 1652 werd de kooromgang en het schip overwelfd en werden er aan de kooromgang nog twee straalkapellen toegevoegd . Doorheen de eeuwen vonden veel broederschappen confrérieën en gilden er hun vaste stek. Het meest bekend vandaag is de aanwezigheid in de kerk van het vissersambacht. Daarvan getuigen nu nog de muurschilderingen uit de 16e eeuw en vooral "De Wonderbare Visvangst", het monumentale drieluik uit 1618-1619 door Pieter Paul Rubens. Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle was ook de parochiekerk van heel wat klokkengieters. Tot rond 1910 trof men er nog de grafsteen aan van de familie Vanden Ghein. Aan de buitengevel van het koor bleef de grafsteen van de familie De Clerck bewaard.

Tijdens de beschietingen van de stad in 1914 liep de kerk wat schade op aan de zuidkant. Dit bleef eerder beperkt, vergeleken met de vernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 19 april 1944 brandde het dak en de toren volledig uit door de luchtbombardementen. In de herfst van hetzelfde jaar viel de punt van de zuidgevel om tijdens een storm, waardoor ondermeer het orgel zwaar beschadigd werd. Wat er nog resteerde werd op 18 februari 1945 vernield door een vliegende bom. Architect J. Lauwers beschreef het uitzicht van de ruïne als volgt : "De verminkte, onthoofde torenromp stond nog als een klagende roep boven de oude stadskern langs de Dijle, van ver daarbuiten zichtbaar in haar onvolkomenheid… De klokkenkamer, blootgesteld aan alle weersinvloeden, was bij regenweer te vergelijken met een reusachtige stortbadkabine, 's winters als een bevroren tovergrot, vol ijs en sneeuw… De steenpartijen van de buitenmuren vertoonden gapende bressen, het muurwerk blootstellend aan inwatering, met alle nadelige gevolgen daarvan…Kortom, dit indrukwekkende monument, in zijn lengteas ruim honderd meter lang, bood, naar buiten en naar binnen, een troosteloze aanblik."

De restauratiecampagne duurde tot 1968. Hierbij werd het uitzicht van de torenspits licht gewijzigd. Men koos voor een iets hogere campanile, daar de vroegere bekroning esthetisch veel te klein was voor de monumentale torenromp.

Luidklokken

De oudste vermelding van een gieting van klokken voor de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle dateert uit 1447 en is terug te vinden in een akte, bewaard in het 'rootboek' van de stad Mechelen. Hoeveel klokken er toen geleverd werden wordt niet vermeld. Ook de naam van de gieter is niet bekend . In 1516 giet Hans Poppenruiter, samen met Willem Vanden Ghein, de klok 'Joseph Jesus Maria', versierd met de schilden van de stad Mechelen, van Keizer Maximiliaan en van aartshertog Karel, toen reeds koning van Spanje maar op dat moment nog niet gekroond. De twee hooggeplaatste heren waren bereid gevonden om het peterschap van de klok op zich te nemen. In 1580 werd Mechelen ingenomen door de calvinisten, hierbij geholpen door Engelse en Schotse soldaten. Tijdens deze 'Engelse furie' werd de stad geplunderd en haalden de soldaten in alle kerken en kloosters de klokken uit de torens. Dit zou toen ook het geval geweest zijn met de Dijlekerk. Enkel de klok Joseph uit 1516 bleef ongeschonden. In 1585, na de heropening van de kerk voor de eredienst, waren de klokken zodanig beschadigd, dat ze niet meer geluid konden worden. Er moesten nieuwe exemplaren gegoten worden. Daarom richtten de kerkmeesters een verzoek aan de stadsmagistraten van Mechelen om te mogen beschikken over drie tot vier gebroken klokken, die op de vesten bij de soldaten lagen. Dit verzoek werd welwillend toegestaan. Twee jaar later kwam er opnieuw een verzoek van de pastoor en kerkmeesters aan stadsmagistraten voor een toelage tot het volledig betalen van nieuwe klokken ter vervanging van diegene die geroofd werden door de "rebellen". Men vroeg ook een jaarlijkse toelage voor het onderhouden van het uurwerk. Het antwoord op deze vraag is niet bekend. Peter vanden Ghein goot in 1595 twee nieuwe klokken; in de maand juni de klok Gabriel en in oktober de klok Hendrik. Deze laatste droeg als opschrift : "Defunctos plango, voco vivos, fulgura frango, Vose mea, vox vitae, voco vos, ad sacra venite. In 1597 leverde de zelfde gieter nog de klok Anna.

De eerste beiaard

Voor 1599 zijn er weinig gegevens bekend over de aanwezigheid van een beiaard in de toren van de Dijlekerk. Volgens Van Doorslaer zou er in 1594 reeds een klokkenspel aanwezig zijn. De beiaardier van Sint-Rombouts werd toen door de broederschap betaald voor het bespelen van de klokken op het feest van Maria Hemelvaart.

"Item den beyaerder van sinte Rombouts gegeven voer dat hij op clocken gespeelt heeft op ons Liefvrouw avont, op den dach ende op den ommeganck dach 't same : x st."

Van Doorslaer staaft zijn bewering verder met een verwijzing naar een betaling, uitgevoerd in 1596. Hendrick Bernaerts ontving een som omdat hij het clawier aen de clocken op den toren ghemaeckt heeft . Van Doorslaer veronderstelt dat het hier om een herstelling gaat, want het betaalde bedrag was volgens hem te gering om de bouw van een nieuw klavier te bekostigen. In rekeningen van de kerk wordt in 1594 ook voor het eerst melding gemaakt van een jaarlijkse vergoeding voor het onderhoud van het uurwerk door Jan Ingels, die ook instond voor het uurwerk van de Sint-Romboutstoren. Dit zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een voorslag.

Niettemin tonen de historische documenten aan dat pas in 1599 de beiaardgeschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk begint. Datzelfde jaar immers kocht het kerkbestuur voor een bedrag van 1594 livres elf klokken bij Peter Vanden Ghein. Aansluitend hierbij werd ook nog de beiaardier van Sint-Rombouts betaald om met zijn knechten ergens aanvullende klokken op te halen. De torenspits van de kerk werd, zoals eerder vermeld, vervangen door een lantaarntoren om het nieuwe instrument te kunnen ophangen. Verschillende personen waaronder opnieuw Henri Bernaerts en ook zangmeester Bartholomeus Van Schelle werden nadien vergoed voor het in akkoord brengen van de klokken. Uiteindelijk stemde Jan Van den Eynde in 1602 ook nog de kleine klokjes. Het is ook pas vanaf die tijd dat men er over een eigen beiaardier beschikte. In 1600 betaalde men Antoon De Windt, de zoon van de klokkenluider, om te leren spelen op de klokken. Vanaf 1602 wordt hij officieel vermeld als beiaardier.

Een tweede beiaard

In 1679 kocht de stad Mechelen bij Pieter Hemony te Amsterdam een nieuw instrument voor de Sint-Romboutstoren. Van de vroegere beiaard behield men het basoctaaf, om dit vervolgens te linken aan de nieuwe klokkenreeks . De resterende klokken, ooit nog gegoten door leden van de families Waghevens en Vanden Ghein, werden in 1680 aangekocht door de kerkmeesters van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle, ter verbetering van de eigen beiaard. Bij de onderhandelingen met het stadsbestuur traden de Mechelse gieters Bartholomeus Cauthals en Jan van den Gheyn op als adviseurs. Het exacte aantal klokken dat toen van eigenaar verwisselde, is niet bekend. Melchior de Haze, beiaardgieter te Antwerpen, kreeg de opdracht om de oude en de nieuwe klokken tot een bruikbaar instrument om te bouwen. Daartoe herstemde hij alle klokken en hij breidde de reeks uit tot 33 klokken. Tijdens een grote plechtigheid werd het nieuwe instrument op 30 oktober 1682 gewijd. De klepels der klokken werden met rood lint versierd en de milde schenkers werden op wijn en zoetigheden getrakteerd. Door de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw werden de namen van de klokken plus alle peters en meters nauwkeurig geregistreerd (1 Carolus Rumoldus Michael 2 Dismas Gabriel 3 Maria Joannes Raphael 4 Maria Barbara 5 Joannes Blasius 6 Catharina 7 Walterius Maria 8 Barbara 9 Joanna Catharina 10 Anna Joanna Catharina 11 Maria Anna 12 Margarita 13 Petrus Libertus 14 Aegidius 15 Jacobus 16 Dismas Maria Magdalena 17 Jacobus 18 Joannes 19 Franciscus 20 Oegidius Catharina 21 Joannes Maria 22 Antonii de Paduwa 23 Jan 24 Joannes Baptist 25 Jasper 26 Wauterius 27 Nicolaes 28 Antonii 29 Joannes 30 Peeter Leo 31 Wilhelmus 32 Cornelis 33 Joannes Magdalena)

Ondanks alle feestvreugde voldeed het instrument niet en amper zeven jaar later wordt het instrument opnieuw onder handen genomen. Het totale gewicht van de beiaard werd vrijwel verdubbeld door het toevoegen van vijf grote klokken. Hierbij werden enkele bestaande klokken opgeofferd, waardoor men een beiaard bekwam van 35 klokken of drie octaven . De werken werden uitgevoerd door Jean-Baptiste Daems. Deze klokkengieter was in 1647 geboren te Mechelen. Rond 1689 had hij een gieterij te Leuven. Hij stond in voor zowel het gieten van de klokken als het vernieuwen van mechanisme en klepels. De werken duurden tot in 1690. Een bloedverwant Jean-François Daems was titularis van het instrument tussen 1682-1694.

Deze beiaard zou dus van 1690 tot aan de Franse Revolutie vanuit de toren van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle klinken. Er werden gedurende meer dan een eeuw geen grote wijzigingen meer in het instrument aangebracht. Wel werd in 1697 de diefstal vastgesteld van vijf kleine klokjes. Een aantal handelaars in koper bij wie stukken klokkenbrons met het opschrift Melchior de….. werd gevonden, werden verhoord. Ook de koster van de kerk, die toen als beiaardier de diefstal had vastgesteld, legde een getuigenis af. Hoe de zaak opgelost werd, is echter niet bekend. In 1713 schonk het stadsbestuur van Mechelen een stuk van een kanon, om met dit brons drie ontbrekende klokken in de beiaard te gieten. Vermoedelijk betreft het hier enkele van de gestolen klokken uit 1697. In 1753 smolt kanonnengieter Paul Ditrich twee klokken samen tot een nieuwe grote, Maria Christina genaamd. Aanvullend werden er nog twee kleine klokjes geleverd. De halfuurklok werd in 1768 hergoten door Peter Fransquin, kopergieter en zoon van de directeur van de Koninklijke Artillerie te Mechelen. Een laatste bericht over het instrument dateert uit 1785. Vier klokken werden vervangen en de rekeningen vermeldden het plan om later nog zeven klokken aan de beiaard toe te voegen.

Op 24 november 1798 werd de grote klok door de Franse bezetter in stukken geslagen. Alle klokken werden vervolgens, met uitzondering van enkele van de kleinste klokjes die men verborgen had, uit de toren gehaald en naar Parijs afgevoerd om hersmolten te worden tot geschut in de gieterij Creuzot.

Meer dan anderhalve eeuw zonder beiaard

Tot 1968 zou de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle zonder beiaard blijven. De campanologische geschiedenis beperkt zich tot het opsommen van de gieting van een aantal luidklokken .

1804: klokje gegoten door Andreas Lodewijk Vanden Gheyn (later als vijfde klok in het gelui)

1819: Grote klok toegewijd aan O.-L.-Vrouw-van-zeven-weeën, gegoten door Andreas Lodewijk Vanden Gheyn

1840: Tweede klok "Blasius" en derde klok "Joseph" door Andreas Van Aerschodt

1842 Vierde klok "Barbara" door Andreas Van Aerschodt

1871: Nieuwe grote klok "Pius Victor" genoemd naar paus Pius IX, gegoten door Andreas Van Aerschodt

De derde en huidige beiaard

In 1944 werden de luidklokken en het torenuurwerk tijdens het bombardement verwoest. Na de oorlog werden er nieuwe luidklokken geleverd door Marcel Michiels Jr. in 1947 en Horacantus (Eijsbouts) uit Lokeren in 1962. Daarnaast had de parochie nog recht op een vergoeding van oorlogsschade voor de vernieling van het torenuurwerk. Op advies van Staf Nees koos de kerkfabriek echter voor een nieuwe beiaard. Daardoor verdwenen aan de toren de wijzerplaten voorgoed. Jammer genoeg heeft Staf Nees de voltooiing van het project niet meer heeft mogen meemaken. In 1965, het jaar waarin Petit & Fritsen de luidklokken aanvulde met 45 beiaardklokken, overleed hij plots. Het duurde tot 26 juni 1968 eer het inhuldigingsconcert van het nieuwe instrument, gespeeld door Piet van den Broek, plaats vond. Dit evenement kaderde in de feesten rond de opening van de gerestaureerde kerk en toren. In Bondsnieuws, het tijdschrift van de Belgische Beiaardiersgilde, werd toen met schande gesproken over het feit dat er in de groots opgezette feestelijkheden nauwelijks aandacht was voor de nieuwe beiaard. Het recital werd beperkt tot een half uurtje muziek . In 1986 voerde de firma 'Michiels Torenuurwerken & Beiaarden' uit Mechelen renovatiewerken uit en plaatste een nieuw toestel voor het automatisch spel. Na de voltooiing van de werken, speelden Piet van den Broek, samen met Marc Knops, het vernieuwde instrument plechtig in.

Beiaardiers

1602-1614 Antoon De Windt
1614-1667 Hendrik Preuveneers
1670-1683 Jan Andriaan Walravens
1682-1694 Jan-Frans Daems
1697 Jan Adriaan Walravens
1784-1787 P.-J. De Bruyn
1787-1791 J. Van Horenbeek
1984-1986 Marc Knops
1986-1988 Marc Knops & Gustaaf Van der Weyden
1988-1993 Marc Knops
1993-2008 Marc Knops & Nico Swaenen
2009- Tom Van Peer

Merkwaardigheden

- Een kamer voor de torenwachter, die er ook werkte als schoenmaker.
- Restanten van het oude torenuurwerk en de wijzerplaten, buiten gebruik sedert bombardement in 1944/
- Aan de buitengevel van het koor : grafsteen van klokgieter Jaques de Clerck (+ 1665), zijn echtgenote Anna Van Geerstem en Rombaut De Clerck (+1661)

Tekst: Koen Cosaert

Technische fiche

Klokkengieters: 
1 Marcel Michiels Jr. (1947), 4 Horacantus (1962) , 45 Petit & Fritsen (1965)
Aantal klokken: 
50
Totaal gewicht: 
9123
Basklok: 
2.217 (c1)
Toonaard: 
f1 (fa)
Stemming: 
gelijkzwevende stemming
Totale omvang klavier: 
c 1, dis 1, f 1 (= c 0), g 1 - chromatisch tot f 5
Omvang manuaal: 
c 1, d 1, es 1-chromatisch tot c5
Omvang pedaal: 
g 0, bes 0-g2
Automatisch spel: 
elektromagnetisch systeem
Speelfrequentie automaat: 
elk half uur
Repertoire automaat: 
volksliederen
Bespelingen: 
za 13.30-14.30u (1ste en 3de za van de maand)
Zomerconcerten: 
za 15-16u (4x in juni-aug.)
Beiaardier: 
Tom Van Peer
Eigenaar: 
kerkbestuur