Feest- en Cultuurpaleis

Geschiedenis van de beiaard van Oostende

Inleiding

De geschiedenis reconstrueren van de Oostendse beiaard valt niet makkelijk. Veel bronnenmateriaal ging, samen met de vijfde beiaard, verloren bij de oorlogsbrand die in 1940 het stedelijk archief in vlammen deed opgaan. Gelukkig was er het werk van musicoloog Edmond Vander Straeten 'Les Carillons de la ville d'Ostende' (1895).

Dat Oostende vandaag de dag aan zijn zesde beiaard toe is, mag geen verwondering baren. Deze stad-aan-zee bleef in de voorbije eeuwen zeker niet gespaard van verwoestende stormvloeden, vreemde legerinvasies en vernietigend oorlogsgeweld waarbij de beiaardtoren niet zelden sneuvelde of het gebeier tot gebulder werd gesmolten en hergoten.
Vanzelfsprekend dirigeerden in het middeleeuwse Oostende de kerkklok(ken) het sociale, economische en religieuze leven. Hoeveel keer zou ook hier de kleppende noodklok zich niet gemeten hebben met het stormgeraas? En we weten ook dat de schepenen van de stad in 1432 de toelating krijgen van Filips de Goede om een klok op te hangen in het torentje van het schepenhuis om tot de vergaderingen op te roepen.
In 1629 - een kwarteeuw na het vierjarig Beleg van Oostende dat de stad letterlijk ruïneerde - bouwt men aan de zuidkant van de 'Zuudmarct', het huidige Wapenplein, een nieuw stadhuis, het vierde in de rij.

De "Van Larebeke" beiaard

Het eerste stadhuis lag ooit in de oude stad: Oostende-ter-Streep, een langwerpig eilandje evenwijdig met de kust, dat door diverse stormvloeden volledig van de kaart werd geveegd. Het tweede en derde raadhuis werden aan de noordkant van de grote markt of 'Zuudmarct' gebouwd. Dertien jaar later is de toren afgewerkt en een paar jaar later krijgt Lievin Van Larebeke uit Gent van de stadsmagistraat de opdracht om 28 klokken te gieten. De eerste Oostendse beiaard, in niet geringe mate gefinancierd door de taksen die werden gelegd op de lucratieve kapersvaart, komt er in 1653. Op de basklok die ook het uur aangaf, staat het blazoen van Vlaanderen en de inscriptie:
"Ten jaere 1653 wesende conynck van Spagnien Philippus den vierden etc. Grave van Vlaenderen ende synen gouverneur deze stede van Ostende don Juan de Quinada y Almarez is doen maecken dese clocke met den beyaert door het magistraet derselve stede synde Bailly d'heer Jan Meutebeque, d'heer Michiel de Rudder, burgemeester, Diego Decio, schepenen, Adriaen Vanderhaeghe, Pieter Cornelissen, Jan De la Craene, Mr. Benedictus Bulteel, Jacques Ferron, Franchois Dyserin, Joachim Philips, tresorier d'heer Pieter Borm, greffier Thomas Daelman, Pensionnaris M. Jérôme Tristram."

De halfuurklok krijgt het blazoen van Vlaanderen, van de stad Oostende en het jaartal 1653. De overige klokken worden versierd met de wapens van Vlaanderen, van de stad Oostende en het jaartal. Ze krijgen de namen van heiligen, ter ere van de schepenen en raadsleden of van de ambachten en broederschappen. Het klavier wordt vervaardigd door beiaardier Loys uit Gent en Jean Demol, een Antwerps horlogemaker, leverde de hamers. In het najaar van 1654 constateert de Brugse beiaardier Jean Claes die als expert gecontacteerd werd door het stadsbestuur, dat veertien klokken slecht gestemd zijn, dat de klokkenspijs van slechte kwaliteit is en dat ze niet harmonieus klinken. Ook de meester- beiaardiers van Antwerpen en Gent worden in dat verband geraadpleegd. Na een lang dispuut met Van Larebeke en diverse expertises en tegenexpertises roept de stad de raad in van meester François Hemony uit Amsterdam. De beiaard blijft uiteindelijk gebrekkig functioneren tot er in 1673 meerdere klokken naar beneden storten en de overige klokken ook in lamentabele toestand verkeren. In een proces-verbaal van 7 juli 1673 lezen we daarover:

"Alzoo er diversche clocken van den beyaert gevallen zijn en eenige nog bedreigen te vallen tot groote prejudicie en pericle, wierd besloten te committeren d'heer burgemeester Decio om te zien wan men diens wegens best zoude doen om te bekommen eenen nieuwen beyaert voor den ouden."

Amsterdam om vanuit die stad 32 nieuwe klokken mee te brengen van hetzelfde gewicht.
Stadsbeiaardiers waren in die periode achtereenvolgens: Philippe Morel, Jacques Hannon, Pierre Dedopper en Pierre Mahieu.

De "Hemony" beiaard

Na lang onderhandelen komt men tot een akkoord met meester Hemony, de befaamde beiaardgieter uit de Nederlanden, om een beiaard van 32 klokken te leveren voor de prijs van 2 750 gulden. Wellicht gaat het hier om een voorraadbeiaard die Pieter Hemony goot en die hij eerder al tevergeefs aan de Ter Duinenabdij in Brugge had proberen te verkopen. Guillaume Bourné, kapelmeester van de St.-Pieterskerk reist naar Amsterdam om er de nieuwe beiaard in ontvangst te nemen. In 1674 is de tweede, nu harmonieuze, beiaard voltooid.

Een technische beschrijving vinden we in 'De Klokkengieters Frans en Pieter Hemony' van A. Lehr: "Oostende, Stadhuistoren: Pieter Hemony 1671
Omvang: c² (as1 1140 pond ) -d-e-chromatisch-a4, zijnde 32 klokken met een totaal gewicht van 6250 pond " ( ±2923 kg")
De Gentse meester-horlogemaker Nicolaas Van Royen geeft advies bij het plaatsen van de beiaard en naar de richtlijnen van Hemony maakt hij ook een nieuwe speeltrommel.
De eerste beiaardier blijft Pierre Mahieu, opgevolgd door Fréderic van Borre in 1678. Twintig jaar later wordt hij omwille van ziekte vervangen door Nicolaas Willaert. Als Fréderic van Borre sterft volgt zijn broer Jacques, tot dan beiaardier in Diksmuide, hem op.
Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1700-1713) wordt de stad in 1706 zwaar beschoten door de Engelsen. Stadhuis en St.-Pieterskerk, exclusief beider torens, worden vernield.

De "Witlockx" beiaard

In 1711 is het nieuwe stadhuis, het vijfde, voltooid. Het stadsbestuur komt met advocaat Andreas Cobbé tot een akkoord voor het gieten en leveren van een nieuwe beiaard. Kostprijs: 15 192 gulden. Cobbé heeft nauwe connecties met klokkengieter Guillelmus Witlockx. Op 14 augustus 1711 belast het schepencollege kapelmeester Antoine Mouqué, samen met kunstsmid Jean Ryckam om de 28 klokken in Antwerpen in ontvangst te nemen.
De technische keuring van de klokken was unaniem lovend:
"Verclaert en attesteert hetselve in volcommen perfectie bevonden te hebben ende weet volgens syne memorie yevers eenigh ander gehoort te hebben, hetgonne in perfectie den 't voorschreven soude te boven gaen.
Naer soo gheoort ende geconfronteert te hebben het clockspel door Guillelmus Witlockx gegoten ende geaccordeert met degene die wij dagelyck hooren door P. en François Hemony gegoten ende geaccordeert, het voorschreven van G. Witlockx aen die van Hemony niet en is achter te stellen soo in const van accordt als harmonie."

De Witlockbeiaard kan drie jaar later de bloeiende Oostenrijkse periode (1714-1782) inluiden. Remarkabel daarin is de oprichting van de Oostendse Compagnie in 1723.
Twee jaar eerder gaat het stadsbestuur over tot de aanstelling van beiaardier François Vanchelet, voordien beiaardier in Nieuwpoort. Op zijn verzoek worden vijf nieuwe basklokken toegevoegd, die een gezamenlijk gewicht hebben van 10 128 pond (±4 400 kg). De klankkwaliteit van de vijf nieuwkomers, eveneens gegoten te Antwerpen, werd omschreven als zuiver en welluidend. Ze werden opgehangen in de toren op 22 oktober 1722.
In 1765 wordt de Antwerpenaar Jan de Gruytters de nieuwe beiaardier. Bij zijn dood in 1807 wordt hij opgevolgd door de in Duinkerke geboren Pierre Schipman die tevens organist van de parochie wordt. Na hem komt Joseph Vande Casteele.
Als Lodewijk XV in 1744 de oorlog aan Engeland en aan Maria-Theresia verklaart, begraven de Oostendenaars, bevreesd voor een nieuw beleg, de beiaardklokken op het marktplein. Tijdens de zomer van het volgende jaar wordt de stad, na een fikse beschieting, door de Fransen bezet en komen de klokken weer in de toren. Maar veel hoeft er niet meer gebeierd te worden want tijdens de vier jaar durende Franse bezetting kwijnt de handel zienderogen. Met de Vrede van Aken komen we opnieuw onder Oostenrijks bewind en onder het bestuur van Maria-Theresia's gouverneur Karel van Lorreinen bloeit de stad economisch weer op, niet in het minst door haar statuut als vrijhaven.

De " Witlockx-Causard " beiaard

" L'administration communale à l'intention de restaurer la tour actuelle qui se trouve à la droite de notre hôtel communal et de la surmonter d'un campanile ou elle rétablira l'ancien carillon dont les cloches sont dispersées dans plusieurs églises ; celles-ci, qui ne les ont reçues que temporairement, seront invitées à les restituer " , lezen we in een lokale krant 'l'Echo d'Ostende' in september 1894. Wellicht hebben de Witlockx beiaardklokken de Franse revolutie overleefd maar zijn ze uitgeleend aan de verschillende Oostendse kerken die hun eigen klokken geconfisqueerd zagen.
De renovatie wordt in 1896 toevertrouwd aan de Mechelaars Jef Denijn (beiaardier) en Désiré Somers (mecanicien-horlogemaker). De eerste vindt het wel jammer dat de beiaardtoren geen 15 meter hoger is. In het lokale blad 'Le Carillon' van 15 januari 1896 lezen we over de eerste uitvoering:
"En effet, le jeu de cloches renferme quelques spécimens en rupture de justesse."

Een zevental klokken klinken vals en worden vervangen door Adrien Causard uit Tellin. Op 17 februari 1918 worden de klokken door de Duitse bezetters opgeëist.

De "Slegers-Causard" beiaard

In juni 1922 worden stappen ondernomen voor het leveren van kerkklokken en het aanschaffen van een nieuwe 40-koppige beiaard.
Het stelsel "Bemelmans" werd voorgelegd met de namen van vijf Duitse huizen die zich met de levering wilden belasten. Doch het schepencollege keurde die handelswijze af en trad in contact met Belgische klokgieters, namelijk Désiré Somers uit Mechelen (installateur van de vorige beiaard), Omer Michaux van Leuven en Slegers-Causard uit Tellin.

Na lange onderhandelingen en na afstand te hebben gedaan van "oorlogschade", werd tot een openbare aanbesteding overgegaan. Die omvatte het leveren van acht luidklokken voor diverse kerken en veertig beiaardklokken met trommelspeelwerk, met een totaal gewicht van 21 994 kilo.

Voor het leveren van de beiaard werden twee inschrijvingen ingediend, door o.a. Omer Michaux voor 246 900 fr. en door Slegers-Causard voor 235 516 fr., toegewezen aan laatstgenoemde in de zitting van 14 april 1923.
Op 20 september 1924 vernemen we dat J. Denijn het stadsbestuur verwittigd heeft dat hij bij de firma Slegers-Causard te Tellin was om de beiaard te keuren en dat er zeven klokken gewijzigd moesten worden. Hij is van mening dat de klokken in oktober geleverd worden. Het wordt uiteindelijk toch april 1925 vooraleer we lezen in "Le Carillon", een lokale krant: "Voici les cloches dans notre ville". Ook schrijft men dat de beroemde beiaardier J. Denijn "s'est occupé de la réception de ces cloches et s'est montré tres difficile."
En op 30 juni 1925, als donderslag bij heldere hemel, " Hélas, la belle fête du carillon va perdre de son attract. Mr. Jef Denijn ne viendra pas… Les cloches sonnent faux. "
Op 1 juli 1925,in het artikel 'Le mystère du carillon',vernemen we dat de klokken vals klinken, in die mate dat J. Denijn geweigerd heeft het instrument te bespelen. Hij verduidelijkt aan een lokale krant:
"Chargé par l'autorié communale de l'expertise des cloches, je me sens quelque peu visé par l'affirmation suivante : on apprent que le carillon avait été essayé et déclaré bon!
Il est bien vrai que le carillon a été essayé, même à quatre reprises différentes. Mais il n'est pas du tout vrai qu'il ait été déclaré bon. "

Blijkbaar komt alles voor mekaar want in het 'Programme officiel des fêtes', gepubliceerd in 'l'Echo d'Ostende' van 1 juli 1925, zien we dat het eerste beiaardconcert gegeven wordt op zaterdag 4 juli om 12 uur. Er wordt geen beiaardier bij vermeld.
Het probleem met de klokken is echter van blijvende aard. Men bevestigt nogmaals dat er minstens vijf klokken vals klinken.
Desondanks worden er regelmatig beiaardconcerten gegeven door de toekomstige stadsbeiaardier Karel Chapel, toen nog student aan de pas opgerichte beiaardschool.
De beiaard blijft echter de gemoederen beroeren. Uitspraken zoals " une obsedante cacophonie campanaire ", " les concerts de carillon sont inaudibles ", " un carillonnage infernal " spreken voor zichzelf. Zelfs de rammel en het uurwerk functioneren niet naar behoren, men signaleert:
" Il lui arrive de sonner midi à quatorze heures. Parfois, il égrène d'un rythme lent de marche funèbre les airs de son tambour. D'autrefois, il déroule du Peter Benoit sur une cadence de fox-trot. C'est extrêmement divertissant. "

Het hoeft geen verder betoog dat deze beiaard over de hele lijn een mislukking was, waarbij de slecht gestemde klokken de spits afbeten. De verdienste van de klokkengieterij Slegers-Causard uit Tellin ligt eerder op het vlak van het groot aantal voortgebrachte luidklokken. Zo zijn er door deze gieterij weinig beiaarden gegoten. Over twee beiaarden kunnen we alvast concluderen dat ze allesbehalve een streling geweest zijn voor het oor. Dit was de beiaard van Oostende en de beiaard van Dinant. Over de beiaard van Dinant lezen we naar aanleiding van de Duitse klokkenroof tijdens de Tweede Wereldoorlog:
"Het betekende ook dat het uiterst slecht gestemde moderne carillon van Dinant dat niet in de toren hing - er was namelijk een proces met de gieter Slegers-Causard uit Tellin gaande - zonder meer werd weggevoerd."
Iedere klok draagt als inscriptie "Coulé en 1923 par Slegers-Causard de Tellin en remplacement des cloches enlevées par les Allemands". Voor de naamgeving ging men inspiratie zoeken bij het koningshuis, het schepencollege, namen van steden en gemeenten waar in 1914-1918 belangrijke veldslagen plaats vonden, de namen van Belgische generaals en locaties in het toenmalige Belgisch-Congo waar overwinningen werden behaald. De totale kostprijs, inclusief automatisch spel, bedraagt 121 407 fr.

De Paccard beiaard

28 mei 1940. Een zwaar bombardement gevolgd door een hevige brand vernielt het stadhuis en de beiaardtoren. Het stadsarchief gaat verloren. Marcel Michiels uit Doornik koopt de vernielde beiaard op om de klokkenspijs te recupereren. Hij doet het stadsbestuur zelfs het niet aangenomen voorstel om een nieuwe beiaard van 43 klokken in de Peperbusse, de toren van de St. Pieterskerk te hangen.

Na een openbare aanbesteding wordt het plaatsen van de huidige beiaard in de toren van het Feest- en Cultuurpaleis toevertrouwd aan G. Castelain uit Kuurne die met zijn prijsofferte van 1 518 820 fr. zes andere inschrijvers achter zich laat. De klokken worden gegoten door de Franse firma Paccard uit Annecy. De 49 klokken worden allen op advies van Staf Nees opgehangen in de klokkenkamer en dit uit muzikale overwegingen. De klokken dragen van groot naar klein de namen van de leden van het Belgisch koningshuis, een aantal toenmalige nationale en lokale politici en hoogwaardigheidsbekleders. Ensor, Spillaert, Permeke en Declerck gaan als gerenommeerde kunstenaars Pastoor Pype - laatste in de rij - vooraf. Die moet het stellen met 9,1 kg. Koploper 'Koning Leopold I' is goed voor 2 497 kg! De beiaard wordt op 3 juli 1965 ingewijd door deken René Butaye. In 1970 levert en plaatst Clock-o-Matic uit Herent 36 elektrische, magnetische hamers met grote repetitiesnelheid op de 36 grootste klokken en een automatisch trommelspeeluurwerk. In 1988 worden de tuimelaarassen in inox geplaatst, het beiaardklavier vernieuwd en de klokkenstoel herschilderd.

Beiaardiers

Eerste beiaard: 1653-1674
PIERRE VERBORRE, oktober 1654
PHILIPPE MOREL, december 1654
JACQUES HANNON, augustus 1657
PIERRE DEDOPPER, februari 1660
PIETER MAHIEU, maart 1663

Tweede beiaard: 1674-1706
FREDERYCK VAN BORRE, september 1678
NICOLAAS WILLAERT, interimaris
JACQUES VAN BORRE, juni 1696 tot augustus 1706

Derde beiaard: 1711-?
FRANCOIS VANCHELET, januari 1721
JAN DE GRUYTTERS, 1765
MAURICE KAVANAGH, 1796
PIERRE CHARLES SCHIPMAN, januari 1808

Vierde beiaard : 1896-1918
M. HAUCHARD

Vijfde beiaard : 1923-1940
KAREL CHAPEL, 1925

Zesde beiaard : 1964-
EPHREM DELMOTTE, 1965
JEAN-PIERRE HAUTEKIET, juni 1997-

 

Tekst: Jean-Pierre Hautekiet

Technische fiche

Klokkengieters: 
49 Paccard (1964)
Aantal klokken: 
49
Totaal gewicht: 
12393
Basklok: 
2.497 (c1)
Transpositie: 
grote secunde omhoog
Toonaard: 
d1 (re)
Stemming: 
evenredig zwevende temperatuur
Totale omvang klavier: 
bes° -c1 -d1 chromatisch tot c5
Omvang manuaal: 
c1 -d1 chromatisch tot c5
Omvang pedaal: 
bes° -c1 -d1 chromatisch tot g2
Klavier: 
Noord-europese standaard (1988)
Inrichting: 
mechels tuimelaarsysteem en gerichte tuimelaars
Automatisch spel: 
electrisch gestuurde magnetische hamers (1970)
Speelfrequentie automaat: 
-
Repertoire automaat: 
-
Bespelingen: 
zo 17-18 u (Pasen-juni en sept.); zo 16-17 u (nov.)
Zomerconcerten: 
do 20-21 u (juli-aug.)
Beiaardier: 
Jean-Pierre Hautekiet
Eigenaar: 
stadsbestuur