Beiaardgeschiedenis

De oudste, en nog altijd meest verspreide functie van klokken is de signaalfunctie, met ondermeer het aangeven van het uur door het juiste aantal slagen. Doch algauw werd de noodzaak gevoeld om de uurslagen van de uurklok aan te kondigen door een zogenaamde voorslag. Het woord betekent letterlijk "Wat voor de uurslag komt". Zo werden de inwoners attent gemaakt op de naderende uurslag. Het leverde een uniek staaltje van technisch vernuft dat het mechanisme van het torenuurwerk koppelde aan de klokken in de toren, en aldus werd het automatisch klokkenspel geboren.

Schematische tekening van het automatisch speelwerk met een trommel
Schematische tekening van het automatisch speelwerk met een trommel

Vanaf de eerste helft van de 14de eeuw werden de eerste automatische klokkenspellen ontwikkeld: een trommel met staafjes tilt tijdens het ronddraaien een hefboom op. Deze is via een metalen draad verboden met een hamer, die wordt opgelicht en nadien terugvalt op de klok. Afhankelijk van het aantal klokjes was in beperkte mate melodisch spel mogelijk. Het eerste gekende voorbeeld van een dergelijke melodie op torenklokken komt uit de Parkabdij te Heverlee (Leuven), waar de voorslag in 1479 de Gregoriaanse melodie "Inviolata, integra et casta es Maria" liet horen.
Daarnaast bestond sedert lang de techniek van het "beieren", waarbij de verschillende klokken van het automatisch speelwerk door middel van touwen en klepels (aan de binnenkant van de klok) met de hand werden bespeeld.
Tenslotte kende men al vanaf de 10de eeuw ook het zogenaamde cimbaalspel, waarbij kleine klokjes (of cimbalen) muzikaal gebruikt werden, en dit vooral in kloosters, kerken en scholen. Het betreft een bescheiden muziekinstrument dat een geheel onafhankelijke evolutie kende, met een hoogtepunt rond de 13de - 14de eeuw.

Beginletter uit een 13de eeuws manuscript
Beginletter uit een 13de eeuws manuscript
(Koning David bespeelt enkele cimbalen). © Lannoo.

In deze drie gebruiken schuilt het ontstaan van de beiaard, waarbij de klokken middels een stokkenklavier manueel tot klinken worden gebracht. De oudst bewaarde duidelijke vermelding van een heus beiaardklavier is terug te vinden in de stadsrekeningen van Oudenaarde in 1510.
In de loop van de 16de eeuw kende het stokkenklavier een snelle verspreiding in Vlaanderen en Nederland - veel steden werden de trotse eigenaar van één of meer beiaarden. Jammer genoeg was de gehele klokkenklank nog niet optimaal: de techniek om zuiver gestemde klokken te ontwikkelen liet nog meer dan een eeuw op zich wachten. Pas in de 17de eeuw bereikte de klokkengietkunst een nieuwe hoogtepunt met de gebroeders François en Pieter Hemony. De Hemony's waren afkomstig uit Lotharingen, maar belandden rond 1640 in Nederland. In tegenstelling tot de vroegere klokkengieters, die klokken trachtten te stemmen door de binnenwand uit te hakken, plaatsten ze de klok op een draaibank en vijlden de binnenwand op verschillende hoogten uit. Elke boventoon werd gecontroleerd aan de hand van het meetrillen van klankstaven.

De gebroeders François en Pieter Hemony samen met Jacob van Eijck.
De gebroeders François en Pieter Hemony
samen met Jacob van Eijck. © Lannoo.

Zowel in het Noorden als in het Zuiden won de beiaardkunst gestaag aan belang tot het laatste decennium van de 18de eeuw. In Vlaanderen waren Antwerpen en Leuven in de 18de eeuw belangrijke klokkengieterscentra. In Antwerpen met de klokkengieters Melchior de Haze, Willem Witlockx en Joris du Mery en in Leuven met de familie vanden Gheyn.
De Franse bezetting luidde het begin van een donkere eeuw voor de beiaardkunst. De Vlaamse klokken werden systematisch opgeëist om het tin uit het brons te verwijderen waarmee in totaal 300 miljoen Franse muntstukken werden gemaakt. Ongeveer 70 % van de klokkentorens was leeggeroofd, een verlies dat nooit meer werd goedgemaakt. Bijna was de beiaardkunst ten dode opgeschreven, ook al omdat de gieters het geheim van het zuiver stemmen van de klokken niet meer kenden.
Pas halfweg de 19de eeuw kwam er een aanzet tot kentering en heropleving dankzij de Mechelse stadsbeiaardier Adolf Denyn (1823 - 1894). Hij gaf blijk van een nieuwe kijk op het beiaardspel. Zijn zoon Jef Denyn (1862-1941) zette zijn werk voort en bracht verschillende technische vernieuwingen aan met betrekking tot de speelwijze van de beiaard. Deze nieuwe beiaardinrichting maakte furore rond de eeuwwisseling naar de 20ste eeuw. De oprichting van de Mechelse beiaardschool in 1922, waarvan Jef Denyn de eerste directeur werd, zorgde ervoor dat zijn kunst niet meer verloren ging.

Jef Denyn
Jef Denyn

In het jaar 1941 dreigde alweer een donkere periode voor de beiaardkunst. Op 2 oktober overleed Jef Denyn en een maand later vaardigde de Duitse bezetter het decreet uit voor de inbeslagneming van de klokken in België, waarbij vooral de luidklokken het moesten ontgelden. Het merendeel van de Vlaamse beiaarden bleef gelukkig gespaard, met uitzondering van enkele belangrijke beiaarden, onder meer te Leuven.

Opslagplaats te Schaarbeek, klaar voor verscheping naar Hamburg op 18 september 1943
Opslagplaats te Schaarbeek,
klaar voor verscheping naar Hamburg op 18 september 1943. © Ludion

In de 20ste eeuw zijn de laatste klokkengieters in Vlaanderen actief geweest, met de families Michiels (Doornik) en Sergeys (Leuven). In 1980 verdween het eeuwenoude beroep van klokkengieter in Vlaanderen. Niettegenstaande dit feit is Vlaanderen nog steeds één van de belangrijkste plaatsen voor de verspreiding en promotie van de beiaardkunst. In enkele onderwijsinstellingen wordt deze typische Vlaamse kunst onderwezen.

Beiaardschool te Mechelen, met een studiebeiaard
Beiaardschool te Mechelen, met een studiebeiaard
(M.Michiels Jr,uit 1953) in de toren van het 'Hof van Busleyden'.

Tijdens verschillende evenementen, beiaardconcerten en beiaardfestivals kan het publiek op dikwijls originele wijze op ontdekkingstocht gaan om, naast het sociale en volkse karakter van het beiaardinstrument, ook een heus concertinstrument te aanhoren.

Samenspel mobiele beiaard en piano.
Samenspel mobiele beiaard en piano.