Home
patrimonium
       
IZEGEM



Sint-Hiloniuskerk

Toren : Sint-Hilionius (ook Sint-Tillo)

Klokkengieters : Sleghers Causard (2 - 1921), Marcel Michiels Sr. (4 - 1923, 2- 1925) en Marcel Michiels Jr. (16 - 1939, 21- 1940, 1-1941, 1- 1960)

Gietjaar : 1921, 1923, 1925, 1939, 1940, 1941, 1960

Aantal klokken : 47

Basklok : cis1 (klaviertoon c1) = 2.109 kg

Totaal gewicht : 10.090,5 kg

Transpositie : kleine secunde omhoog (klaviertoon c1 = slagtoon cis1

Stemming : beiaard in getemperde stemming

Totale omvang klavier : c1- d1 - e1 - chromatisch - c5

Omvang manuaal : g1-chromatisch - c5

Omvang pedaal : c1 - g2

Klavier : pre-Europese standaard (Clock-O-Matic, 1981)

Inrichting : gerichte tuimelaars

Automatisch spel : elektromagnetisch computerspeelwerk (Clock-O-Matic, 2005)

Luidklokken : drie (een vierde behoort niet tot de beiaard)

Bespelingen : van oktober tot april de eerste vrijdag van de maand (van 17 tot 18 uur); van mei tot september iedere vrijdag (van 17 tot 18 uur)

Beiaardier : Koen Cosaert

EIGEN WEBSITE



Geschiedenis van de beiaard van Izegem

 

De Sint-Hiloniuskerk

De Sint-Hiloniuskerk, in de volksmond de Sint-Tillokerk, beheerst met spitse toren, 71 meter hoog, het stadsbeeld van Izegem. Vermoedelijk bestond er reeds een kerk te Izegem in de 11e eeuw. In de tweede helft van de 15e eeuw werd een driebeukige hallenkerk voltooid. De centrale achthoekige toren was 33 meter hoog. Een aantal elementen van een oudere romaanse kerk bleven bewaard in de nieuwe constructie. De oudste vermelding van luidklokken te Izegem dateert uit 1513-1514.

Op 23 augustus 1568 werd de kerk geplunderd en zwaar beschadigd tijdens de beeldenstorm. De herstelwerken startten pas in 1604. De bisschop van Doornik wijdde in 1617 de zes altaren in. De inrichting van het interieur duurde tot 1649.

Tijdens de Franse overheersing werd de kerk in 1797 gesloten. Pas in 1802 ging ze weer open voor de eredienst. Omdat de kerk te klein geworden was voor de alsmaar groeiende bevolking van Izegem werd ze in 1852 afgebroken om plaats te maken voor een nieuw gebouw.

Kanunnik Tanghe schrijft hierover : "Sedert menigvuldige jaren, klaegden de ingezetenen van Iseghem, zonder ophouden, omdat het, in hunnen al te kleine kerke, op de zondagen binnen de goddellijke diensten niet meer houdelijk was. En inderdaed, gedurende den zomertijd moest men er alle zweet uitzweeten; men wierd er als verstikt en versmacht. Van tijd tot tijd vielen er menschen kwalijk, door het eeuwig gedrang en dit was niets wonders, als men peist dat er in sommige plaetsen tot vijf persoonen op eenen meter, als getast, stonden"

Architect Pierre Croquison ontwierp een driebeukige hallenkerk met monumentale westertoren in neogotische stijl. De eerste steenlegging gebeurde door Monseigneur Mallou op 2 september 1852. Het gebouw werd voltooid in 1855 en de kerk werd in hetzelfde jaar nog in gebruik genomen. Voor de torenspits gebruikte de architect een constructie van ijzeren balken - voor die tijd een primeur. Deze was pas af in 1868. Aan de binneninrichting van het gebouw werkte ondermeer baron Jean-Baptiste de Béthune, het boegbeeld van de neogotiek in België.


Klokkenstoel van de huidige beiaard

 

De voorslag uit 1550

In 1550 werd voor de kerk van Izegem een voorslag van 8 klokken gegoten met een zwaardere uurklok van 4200 pond . De samenstelling van deze voorslag kon in 1862 nog afgeleid worden uit het aantal lichters op het bewaard gebleven trommelspeelwerk . De naam van de gieter is niet bekend. Het moet een mooi geheel zijn geweest want Sanderus vermeld in zijn Flandria Illustrata uit 1640 dat de kerk sedert oudsher vermaard was voor haar voorslag. De klokjes van de voorslag droegen als opschrift een vers uit psalm 129 "De profundis".

Bij het gieten van een nieuwe beiaard in 1768 werden twee klokken als brons ingeleverd met de opschriften :

- Klok n°5 : "Jacob es mynne name. MCCCCCL. Sustinuit anima mea in verbo ejus : speravit anima mea in Domino."
- Klok n°6 : "Maerten es mynnen name. MCCCCCL. A Custodia matutina usque ad noctem, speret Israel in Domino"

In 1862 bestonden nog 4 klokjes van de voorslag en ze droegen als opschrift :

- Klok n°2 : "Carolus es mynne name. MCCCCCL. Fiant aures tuae intendentes in vocem deprecationis meae."
- Klok n°3 : "Joes is mynen name. MCCCCCL. Si iniquitates observaveris, Domine, Domine, quis sustinebit ."
- Klok n°4 : "Catharina es mynne name. MCCCCCL. Quia apud te propitiatio est, et propter legem tuam sustinui te, Domine.
- Klok n°7 : "Franchois is mynne name. MCCCCCL. Quia apud Dominum misericordia, et coposia apud eum redemptio."

De klok n°7 wordt ook vermeld op de lijst van de in 1768 als brons ingeleverde klokken. Ofwel hergoot Barbieux deze met het zelfde opschrift, of hij behield ze in de nieuwe beiaard.

De naam en het opschrift van klok n°1 zijn niet bewaard gebleven. In analogie met de andere opschriften noemde deze klok wellicht Hillonius en had ze als opschrift het eerste vers "De profundis clamavi ad te Domine, Domine exaudi vocem meam". Uit de tekst van de psalm kan trouwens ook het opschrift van de allerkleinste klok, de nummer acht, afgeleid worden : "Et ipse redimet Israel ex omnibus iniquitatibus eius". Het oude uurwerk met een speeltrommel voor slechts 8 klokken verhuisde in 1855 mee naar de nieuwe toren en bleef in gebruik tot 1872.

De eerste beiaard (1617-1618)

In 1617-1618 vermelden de kerkrekeningen de gieting van drie kleine klokjes door Dominique Fiefvet uit Ieper. Deze klokgieter had in hetzelfde jaar ook gewerkt voor Veurne :

"Item aan Dominique Fiefvet over het leveren van drie schellen 25e juni over tdeel vande kercke ter ghoede rekenynghe, 122p."

Aansluitend wordt er een beiaardklavier geplaatst :

"Item ande beyaerdier van Ypere vande leverynghe ende het stellen van het clavier om te spelen met de schellen, 12 p. 11 sch."

Deze Ieperse beiaardier was Augustin de Saint-Aubert. Deze beiaardier en installateur uit Valenciennes kon prat gaan op een rijke carrière. Hij was in chronologische volgorde beiaardier van Valenciennes, Mechelen, Valenciennes, Ieper en Gent . Als installateur en stemmer trad hij ondermeer op te Mechelen en te Menen.

Hoeveel klokken de Izegemse beiaard toen telde, kan niet met zekerheid vastgesteld worden. De negen klokken van de voorslag plus de drie nieuwe van Fiefvet brengt het aantal zeker op twaalf.

In 1649 wordt de grote klok hergoten. De tekst vermeldt als gieter Antoine Gibelot. De handtekening van de gieter laat zich echter lezen als A. Houbillot. Op het einde van de 17e eeuw hebben vader en zoon Toussain en Alexis Cambron uit Rijsel een klok van 44 ½ pond gegoten. Deze wordt vermeld in de lijst van de in 1768 ingeleverde klokken, maar niet in de kerkrekeningen. Het duurt tot 1750 vooraleer er opnieuw melding gemaakt wordt van het gieten van klokken.

Vier gebarsten klokken werden hergoten door Claude Gouvenot uit Romain sur Meuse in Loreinnen. De twee grootste klokken worden zwaarder gemaakt om in akkoord met de zwaarste klok geluid te worden . De drie klokken, samen ongeveer 8.900 pond zwaar, werden samen de "Groote Tribbel" genoemd. Deze twee nieuwe klokken werden in 1794 door de Fransen uit de toren gehaald en naar Brugge weggevoerd. Verder werden nog twee beiaardklokken hergoten, respectievelijk van 39 pond en een van 84 pond.

De tweede beiaard (1768)

In 1768 goot Jean-Baptiste Barbieux uit Doornik 24 nieuwe klokken. Acht klokken van de oude beiaard worden hiervoor bij de gieter ingeleverd, samen goed voor 873 pond brons. De kerkrekening stipuleert :

" Op den 1n september 1768 zijn d'afgedaen Clockskens van het Carlion binnen Iseghem om naer Doornyck te senden aenden Clockgieter Theodor (sic!) Barbieu tot voltrecken van het Carlion tot drye octaven gewegen in de weegschaele tot Iseghem Achte van de zelve Clockskens van de Elve die in den thorre waeren…"

Het document geeft vervolgens de lijst van de ingeleverde klokken :

- Klok n° 5 uit de oude voorslag. 222 pond
- Klok zonder opschrift. 166 ½ pond
- Klok n° 6 uit de oude voorslag. 166 pond
- Klok n° 7 uit de oude voorslag. 120 pond
- Klok met opschrift "Sancta Maria Mater Dei, ora pro nobis". 65 ½ pond
- Klok met opschrift "Misericordias Domini in eternum cantabo". 46 pond
- Klok met opschrift " A Lille : Toussain et Alexis Cambron .
- Klok zonder opschrift.

Hier wordt het moeilijk om precies te bepalen hoeveel klokken er zich in de Izegemse toren bevonden. Het voornoemde document vermeldt dat er acht van de elf in de toren aanwezige klokken werden ingeleverd. Wellicht werden de drie grotere luidklokken niet meegerekend.

Hier kan het aantal van elf klokken niet in overeenstemming gebracht worden met de ons bekende gegevens. Doordat klokken n° 2, 3 en 4 na 1768 bewaard bleven, zou de klok n°1 "Hilonius" zich in de lijst van ingeleverde klokken moeten bevinden. Dit is niet het geval, want deze was de zwaarste van de reeks en is aldus niet terug te vinden. Hoe zou je trouwens met 24 nieuwe klokken, drie bewaard gebleven klokken en eventueel drie luidklokken tot een drie-oktaafs beiaard kunnen komen? Daarvoor heb je 35 klokken nodig!

Laten we even de redenering omdraaien. Voor een drie-oktaafs beiaard heb je 35 klokken nodig: voorhanden zijn 24 nieuwe Barbieuxklokken, drie luidklokken, en klok n° 2 tot 4 uit 1550. Dan ontbreken nog een vijftal klokken, waaronder klok n° 1 en 8 uit 1550, die in geen enkel document vermeld worden. Dit brengt met zich mee dat de beiaard van Izegem voor 1768 uit een 16-tal klokken zou bestaan hebben.

Op 24 februari 1769 wordt de nieuwe beiaard in de kerk van Izegem gewogen. De zwaarste weegt 156 pond, de kleinste 13 pond. Alle 24 klokken samen wegen 1301 pond. Er werd geen nieuw automatisch spel geleverd. Het oude uit 1550 bleef in gebruik.

In 1805 was de grote klok aan hergieting toe. Het werk werd uitgevoerd door Jacobus Dumery uit Brugge. Hij leverde een klok van 4000 pond. Deze werd Hilonius gedoopt.

Tien jaar later was de beiaard blijkbaar niet meer in goede staat. De stadsrekeningen uit 1816 vermelden een aanzienlijke uitgave voor het herstellen van de beiaard. Serafinus Hostekint werkte 18 dagen aan het instrument. In 1821 werd het torenuurwerk gerenoveerd en kwam Sieur Guillerme uit Kortrijk "over het stellen van twee airs up het Carillon".

De beiaard in de nieuwe kerk

Na de bouw van de nieuwe kerk werd in afwachting van de voltooiing van de spits een tijdelijk dak op de toren geplaatst. Er kwam voorlopig een klokkenstoel voor een klok. Tijdens een storm op 24 januari 1856 wierp een rukwind het dak, samen met de klokkenstoel en de klok naar beneden. De klok brak in drie stukken.

Op 4 september 1862 kwam de grote klok naar beneden. Tijdens het luiden brak de kroon af en viel de klok met veel gedruis uit de klokkenstoel. De kerkfabriek besliste om meteen een nieuw driegelui te laten gieten door Severinus Van Aerschodt uit Leuven. De zwaarste klok, toon mi b, woog 1.933 kg; de tweede, toon fa, woog 1.295 kg; de derde, toon sol, woog 945 kg. De klokken kosten 3 franks 80 centimen per kilogram. Ze droegen respectievelijk vers een, vijf en zes uit de psalm "De profundis". Tegelijkertijd hergoot van Aerschodt ook twee beiaardklokken. De zwaarste van de twee droeg als opschrift : "A° Dni 1862. Sev. Van Aerschodt sumptibus Fabricae ecclesiae Iseghemiensis Lovanii me fudit. - Et ipse redimet Israel, ex omnibus iniquitatis ejus". Dit zou dus een hergieting kunnen zijn van klok n° 8 uit de voorslag van 1550. Ook bestaan vermoedens dat toen de klok n°7 "François" uit 1550 versmolten werd.

In 1868 kreeg de beiaard een plaats in de nieuwe toren aan de noordkant langs de galmgaten. De installatie werd bijzonder slecht uitgevoerd. De klokkenstoel was bijzonder moeilijk bereikbaar. Er was geen gaanderij of trap er naar toe. Om reparaties uit te voeren diende men eerst planken te leggen op de jukken van de luidklokken waarop dan een ladder kon geplaatst worden. Door deze situatie gebeurden herstellingen en onderhoud dan ook uiterst zelden. Het automatisch spel vertoonde al gauw gebreken. In 1917 speelden bij gebrek aan zorgen twaalf klokken niet meer mee.

Het beiaardklavier stond opgesteld tegen de muur van de noordwestkant, maar dan een goeie vijfentwintig meter lager in de toren. Op dezelfde verdieping stond het torenuurwerk en deden de klokkenluiders hun werk. Azer Moenaert beschrijft in zijn schrift dit klavier :

"Dat klavier was zeer oud; het dagteekende waarschijnlijk van 1768. Het was gebouwd voor een dertigtal klokken te bespelen. Toen ik in 1921 voor het eerst den Isegemschen toren bezocht trof ik dat oud bouwvallig klavier aan op den halfzolder gelegen aan den trap waar de wekkermekaniek zich bevond. De eikenhouten stoel (geraamte) was goed en wel bewaard gebleven. De toetsen, uit elzenhout, zaten nog op haar plaats, doch verkankerd en onbeweegbaar in de gewrichten. De houten latjes (verbinding voor de klokken) hongen er nog aan in stukken en enden. Toen de nieuwe beiaard kwam in 1924 heb ik dat oud klavier te mijnen huize omvormd tot oefenklavier, stem echter, met stalen veeren. Na drie, vier jaren was het doorslegen en doorstampt. Het geraamte ervan heb ik verder aangewend tot werktafel in mijn uurwerkmakersbedrijf."

Aldus de roemloze dood van een beiaardklavier!

Omwille van de enorme lange afstand had men de verbindingen tussen klavier en klepels uit dunne houten latjes gemaakt. Deze kent men ook onder de naam "abstract" in het mechanische orgel. Anders als de metalen verbindingen, waren die uit hout niet gevoelig voor temperatuurschommelingen. Een onoverkomelijk probleem was echter de zeer lange afstand tussen klavier en klokken. Dit maakte het instrument haast onbespeelbaar. Opnieuw schrijft Moenaert :

"De oude Izegemnaars van nu hebben den beiaard zelden horen spelen - echter wel den wekker - van sedert hij den nieuwen toren bewoonde tot 1917. Het bespelen was veel te lastig door de slechte voorwaarden waarin de mekanieken opgesteld waren"


Azer Moenaert (foto archief K. Cosaert)

Met de drie luidklokken uit 1862 hadden de Izegemnaars geen geluk. Vier jaar na de gieting moest de derde klok opnieuw naar de gieterij. In 1872 brak de tweede klok. Vijf jaar later werd ze hergoten, opnieuw door Severinus van Aerschodt. In 1891 barste de grote klok. Klokkenlapper Teirlynck uit Zegelsem probeerde ze te maken. De klok werd opnieuw geluid en dit tot in 1894. Toen was de barst te groot geworden. Pas in 1900 werd ze hergoten en in gewicht verzwaard door Adrien Causard uit Tellin. Ze luidde voor de eerste maal op nieuwjaarsavond van 1901. Ze woog 4400 pond, klonk als do en kostte 7000 franken.

Ook de beiaardklokken vertoonden heel wat gebreken en in 1871 werd alles gedemonteerd en naar de gieterij van Severinus van Aerschodt te Leuven gebracht. Pas in 1873 werd het verbeterde instrument opnieuw in de toren geplaatst. Voor de eerste maal maakten de luidklokken nu ook deel uit van de beiaard. Het instrument telde 34 klokken. Op zondag 15 november van dat jaar gebeurde de inspeling na het Te Deum bij het feest van koning Leopold III. Er werd ook een nieuwe koperen trommel voor het automatisch spel geïnstalleerd met verticaal 128 rijen en horizontaal 25 gaten. De muziek op de wekkering werd blijkbaar niet zo vaak veranderd. De trommel werd in 1875 verstoken door organist Hypolite Clement. In 1905 krijgt organist Julien Clement van het stadsbestuur een vergoeding voor het "plaatsen van nieuwe aria's op het carillon".

In 1917 noteerde organist Julien Clement de samenstelling van de Izegemse beiaard als volgt :

1 do 1900 Hilonius A. Causard
2 re 1877 S. Van Aerschodt
3 mi 1866 S. Van Aerschodt
4 sol 1872 S. Van Aerschodt
5 do 1550 Carolus
6 do# 1872 S. Van Aerschodt
7 re 1872 S. Van Aerschodt
8 re# 1872 S. Van Aerschodt
9 mi 1550 Catharina
10 fa 1872 S. Van Aerschodt
11 fa# 1872 S. Van Aerschodt
12 sol 1862 S. Van Aerschodt
13 sol# 1872 S. Van Aerschodt
14 la 1912 A. Causard
15-33 chromatisch 1768 J.B.Barbieux
34 mi 1862 S. Van Aerschodt

Op 16 oktober 1914 werd Izegem bezet door het Duitse leger. Twee dagen later moest de beiaard stil gelegd worden. De luidklokken luidden nog een allerlaatste maal op kerstavond. Tot in 1917 kwam er geen enkel klokgeluid meer op te toren. Op 7 september van dat jaar schrokken de inwoners van Izegem op toen ze onverwachts het geluid van klokken in de toren horen. Zes Duitse soldaten, geholpen door drie mannen uit Ingelmunster ontmantelden de beiaard. Hevig protest van de pastoor aan het adres van de "Ortskommandant" mochten niet baten. Een week later waren alle klokken op vrachtwagens geladen en weggevoerd. Door tussenkomst van burgemeester Carpentier kreeg men, omwille van de historische waarde, de Carolus uit 1550 terug. Deze oude klok was voortaan de enige luidklok in de toren. Na het vertrek van de Duitse troepen werd ze onmiddellijk in werking gesteld, maar door veelvuldig gebruik brak ze reeds in 1919. Het jaar nadien werd ze hergoten door Causard uit Tellin.

De overlevering wil dat toen de organist Julien Clement ook de drie kleinste klokjes heeft gered, door ze heimelijk te verbergen in de orgelkast. Er bestaan vandaag inderdaad nog drie Barbieux-klokjes uit de oude beiaard. Een ervan hangt in het koor van de kerk, een tweede is in bezit van de Congregatieharmonie. Ook het college heeft nog een klokje. Moenaert vermeldt echter ook dat een klokje in 1919 teruggevonden werd in Duitsland. Hijzelf noteerde dat dit het klokje van het college was. Pastoor Loosveldt geeft echter een andere versie :

"…ik heb alle redens om te denken dat het kloksken , welke uit Duitschland terug gekomen is, juist datgene is, dat in het koor nu is opgehangen. Het was immers nadat het terugkomen was, dat Heer Vanneste uit de Marktstraat de onkosten betaald heeft van het plaatsen in het koor. Hij stelde dit voor omdat hij hardhoorig zijnde het gewoon belgeklingel niet hoorde. Ook geloof ik wel dat Jules Clement enkel twee klokjes heeft kunnen redden".


Koperen trommel uit 1873, sedert 1983 buiten werking gesteld

De Michielsbeiaard (1922-1940)

In 1921-1922 werden drie nieuwe luidklokken gegoten door Causard te Tellin. Een jaar nadien startte burgemeester Cyriel Staes een actie voor de oprichting van een nieuwe beiaard. Deze zou grotendeels bekostigd worden met geld uit het fonds voor oorlogsschade. Adviseur was Jef Denyn, de Mechelse stadsbeiaardier.

De uurwerkmaker Azer Moenaert kreeg de opdracht om voortaan het uurwerk te onderhouden. Meteen was zijn interesse gewekt voor de beiaard. Op kosten van het stadsbestuur ging hij te Mechelen studeren bij Jef Denyn. Marcel Michiels Sr. van Doornik goot 34 nieuwe klokken, samen goed voor 4.477 kg brons. De gieterij schonk de vier klokjes. Een klokje werd geschonken door Azer Moenaert. Samen met de drie luidklokken bekwam men aldus een instrument van 37 klokken. Er kwam een trommel met 50 lichters, aldus voor 30 klokken. Op 12 oktober 1924 werd het nieuwe instrument plechtig ingespeeld door Jef Denyn, Staf Nees, Azer Moenaert en Ildefons Segers, de beiaardier van Roeselare. Het gebeuren groeide uit tot een echt volksfeest. In 1925 werd, dankzij de vrijgevigheid van een aantal Izegemnaren, de beiaard uitgebreid met vier klokken.

Toch voldeed het instrument niet. De stemming liet veel te wensen over en werd door de gemeentelijke en kerkoverheid van Izegem niet aanvaard. Michiels maakte echter geen aanstalten om de verbeteringswerken aan te vatten. Daarom schreef Moenaert in 1927 aan Michiels :

"Ik schrijf U nog eens om U beleefd te vragen of het U niet mogelijk is in de eerste dagen een voor ons klokkenspel te werken. Het is nu twee jaar en half dat onze beiaard geplaatst is en tot nog toe hebben we niets ernstigs ermee kunnen op touw zetten daar er altijd maar voort klokken niet juist zijn….Zolang onze beiaard valsch klinkt ondernemen wij hier noch concerten noch feesten."

Michiels bleef echter talmen want in 1931 kreeg hij een aanmaning van het Staatskommissariaat voor oorlogschade, waarin gedreigd werd met de stopzetting van alle betalingen.

In 1938 schonk Moenaert zeven klokjes om het vierde octaaf te vervolledigen. Een jaar later besliste men om de beiaard nog maar eens onder handen te nemen. Er werd een bestek opgemaakt voor het hergieten en stemmen van drie oktaven. Op dat moment bestond de beiaard uit twee klokken van Sleghers-Causard uit 1921, een van dezelfde gieter uit 1922. Verder waren alle klokken door Michiels gegoten : 1 (1922), 28 (1923), 4 (1925), 1 (1926), 3 (1928), 2 (1938), 5 (1939). De grootste klokken zou men in de toren stemmen, de 38 andere werden uit de toren gehaald en op 24 april 1940 naar de gieterij in Doornik gebracht. Ook toen vlotten de werken niet. Michiels schreef dit toe aan de moeilijke oorlogsomstandigheden:

"De vormen staan hier sedert maanden gereed, maar wij hebben tot nu toe het niet kunnen gieten, zoowel als vele andere klokken. Ik heb alreeds twintig maal naar Brussel geweest en in al de burelen van "kolen, Coke maatschappijen" (sic) gezeten om toch en weinig coke te ontvangen."

Op Sint-Ceciliadag, 22 november 1941, kon Moenaert eindelijk de nieuwe klokken gaan keuren in de gieterij. Begin december van dat jaar kwamen ze te Izegem aan en werden ze in de toren gemonteerd. Aan de Duitse overheid werd toestemming gevraagd om ze op Kerstmis te mogen laten klinken. Dit ging niet door daar de toestemming pas na datum werd gegeven. Uiteindelijk ontving Moenaert op 15 januari 1942 de toelating om voortaan iedere zondag van 11 tot 12 uur te spelen. Op donderdag 23 januari werd de wekkering weer op gang gebracht.

Tijdens de oorlogsjaren werd de klavierkamer door de plaatselijke kunstenaars René Demoen en Hubert Stevens op volkse wijze met fresco's beschilderd. In 1954 plaatse Moenaert nieuwe draadregelaars. Hij had het systeem zelf ontworpen. Dit type draadregelaar zou toen ook op de oude beiaard van Sint-Rombouts te Mechelen zijn toegepast. Moenaert bespeelde dit instrument tot in 1955. Door problemen met de gezondheid kon hij het beiaardspel niet meer aan. Hij werd opgevolgd door Paul Bourgois. Van 1962 tot 1983 nam Gislain Pouseele, tevens beiaardier van Harelbeke, de functie van stadsbeiaardier waar.

In 1982 was het klavier en de inrichting van de Izegemse beiaard aan vernieuwing toe. De firma Clock-O-Matic verving de oude tuimelassen door gerichte tuimelaars en plaatste een nieuw klavier. Ook de oude trommel werd buiten werking gesteld en vervangen door een electro-magnetisch systeem. Jammer genoeg werd er aan de klokken niet geraakt. Deze zijn immers in de loop der jaren fel gecorrodeerd. Ook de stemming van het instrument voldoet niet aan de huidige normen. Stadsbeiaardier Frank Deleu startte in 1983 met een concertreeks op maandagavond. Sedertdien vinden de wekelijkse bespelingen plaats op vrijdagavond. Op 1 oktober 1990 werd Koen Cosaert door de gemeenteraad als stadsbeiaardier aangesteld. De zomerconcerten kenden sedertdien een groeiend succes, dit dankzij de inzet van de leden van de werkgroep beiaard. Het besturingssysteem van het automatisch spel had in 2004 zijn beste dagen gekend en een zomerse blikseminslag gaf het de genadeslag. Na een jaar van stilte weerklonk de automatische beiaard opnieuw op kerstmis 2005. Een gloednieuw toestel, geplaatst door Clock-O-Matic, laat voortaan de klokken om het kwartier muziek over de Izegemse daken strooien.

Beiaardiers

1802-1807 Ferdinand Callens
1807-1808 Ferdinand Callens en Sieur Crombez
1809-1814 geen gegevens
1819 Serafinus Hostekind
1820-1843 August Clement
1846- 1874 Bruno Clement
1925-1954 Azer Moenaert
1954- 1961 Paul Bourgois
1962-1983 Gislain Pouseele
1983-1990 Frank Deleu
1990- Koen Cosaert

 

Tekst: Koen Cosaert

 

 

terug naar algemeen overzicht patrimonium

 

organisatie | informatie | concertkalender | publicaties | contact | home